Over boekenkasten met alleen maar oplossingen M. Februari, De literaire kring

“Waarom zijn de woorden van de dichter aangrijpender dan je eigen woorden? Op het tentamen antwoordt een van Randolfs studenten: ‘Om dezelfde reden waarom de liefdesgeschiedenis van een ander altijd aangrijpender is dan je eigen liefdesgeschiedenis. Omdat het de liefdesgeschiedenis is van een ander. Omdat je er zelf buiten blijft – met je twijfelachtige karakter, en je tweederangs lichaam.’” (19)

Wat voor boek is dit eigenlijk? De literaire kring draait om de roman van een vrouw en de verhouding van een leesclub tot die roman. De consensus is dat het boek geen zwaarte heeft – dat het vermakelijk is, een bestseller, chicklitMilk for babes, niet het soort kost dat de literaire kring meestal leest.

Maar met die literaire kring – met enkele van haar prominente leden, en met de manier van in de wereld zijn die zij vertegenwoordigen – is dan ook iets mis; en juist door zijn lichtheid lijkt de roman dat gemis aan te wijzen. Concreet is er iets in het verleden mis: enkele van de leden van de leesclub, zo blijkt, hebben indirect iets te maken met een groot onrecht, een groot leed waarvoor een ex-lid verantwoordelijkheid draagt.

Je kunt niet zeggen dat ze daaraan zelf mede schuldig zijn. Maar de armoede van dat begrip schuld is juist waar het abstracte probleem begint, het metafysische gebrek. Deze mensen zijn verantwoordelijke zielen, wars van het gemakzuchtige of lege – de ‘leegste’ persoon die aan het gezelschap hangt, die we haast puberaal opstandig Telegraaflezend tegenkomen, is Teresa. Zij was haar vroegere klasgenoot zelfs helemaal vergeten. Maar zij is geen lid van de club.

Zij is ook degene die breekt wanneer ze de waarheid over de met haar oud-klasgenoot en met haar vader verbonden ramp te weten komt, terwijl alle serieuze literaire activiteit de leeskring niet in staat heeft weten te stellen diep genoeg in zichzelf te kijken om de lelijkheid, om de verrotting daar te zien. Die verrotting is geen schuld, althans niet van het soort dat te vereffenen valt; het gaat er niet om dat er niet meer koppen gerold hebben, niet meer genoegdoening heeft plaatsgevonden. Het gaat erom dat Randolf kan leven alsof zijn kleine aandeel in de gebeurtenissen hemzelf niet aangaat. Hij is een geslaagd lid van de elite, en hij valt samen met die identiteit; hij heeft geen innerlijke wereld die groot genoeg is om een kritiek op zijn eigen succes te lanceren. De leesclub bestudeert de wereld, de lezers hebben macht; maar de inzet is te laag.

Is het goede kennen het doen? De leesclub bestaat uit mensen die tijd en vrijheid opofferen om over de wereld na te denken: over globalisering, sociaaldemocratie, klimaatverandering. Het zijn morele mensen, “met hun lidmaatschap van de ethische ondernemersnetwerken en hun boekenkast vol oplossingen voor de armoede in de derde wereld”. (36) Gabrielle – de enige vrouw in de club – wantrouwt lichte lectuur omdat ze zich oprecht wil concentreren op wat er in de wereld toe doet. Hypocrisie zou een te concrete beschuldiging zijn; er is geen discrepantie tussen de hoogdravende literatuur die de club leest, de verheven maatschappelijke wensen en ambities van haar leden, en het deugdzame leven dat zij lijden. En behalve de vanwege het schandaal netjes weggestuurde De Winter heeft niemand bloed aan zijn handen. Randolf en Jurgen wassen hun handen in onschuld, en er blijft niets kleven.

Dat er niets blijft kleven is het probleem; het punt is dat de literatuur er niet in slaagt de lezers een spiegel voor te houden. Ze lezen boeken als venster; ze lezen juridische romans over misdaad en schuld, boeken waarin het kwaad binnenkomt “in de gedaante van jeugdcriminelen die dochters verkrachten en auto’s beschadigen en het huis in klauteren om daar de ongrijpbare dreiging te verspreiden van de lagere klassen”. (129) Dat heeft iets farizeïsch; het heeft iets absurds dat de gewetensvolle en kritische weldenkende klasse haar kritische vermogens nooit met het eigen geweten in contact brengt; dat het dorp een eenzame journalist nodig heeft om de herinnering aan het eigen verleden zelfs maar mogelijk te maken. Gabrielle ziet die absurditeit bijna; Lucius voelt haar aan en zoekt een remedie. Ruth Ackermanns boek is een laatste mogelijkheid.

Ruth heeft een houding tegenover die absurditeit gevonden: de humor. Haar roman is een komedie over een tragisch leven, omdat je best naar de mensen op het strand mag zwaaien als je aan het verdrinken bent. Die lichtheid begrijpt de leesclub niet; maar het niet aanwijzen en omcirkelen van de wrede feiten in haar verleden is een authentieker, een speelser en eerlijker wegkijken dan het wegkijken van de leesclub. Door niets te laten zien, zou het boek de leesclub misschien als spiegel kunnen dienen en tot zelfreflectie aanmoedigen.

Daar blijkt ze echter niet vatbaar voor; tijdens de bespreking van het boek lukt het Lucius uitdrukkelijk niet om de discussie bij het boek te houden – de rest heeft het liever over Dostojevski. Dat gaat namelijk wél ergens over.

Wat voor boek is dit? De literaire kring stelt het leed, het morele feit waarvan de leesclub wegkijkt, uiteindelijk wel zonder omhaal en op een aangrijpende manier tentoon; maar dat is pas tegen het eind. Het grootste deel van de tijd kijkt het boek niet naar Haïti, waar dat leed plaats heeft, maar naar Nederland, waar het niet gezien wordt. En in die tijd is het een vermakelijk, humoristisch en half-alledaags, half-gewichtig boek.

Het is geen pamflet over de ons-kent-ons cultuur van de machthebbers, geen uitroep tegen een systeem dat doofpotten en tapijten toelaat; het boek gaat over mensen, niet over systemen, en de aanklacht treft iedereen die denkt zich druk te maken over de juiste dingen – ook de machtelozen. “Die hele zogenaamde wereldpolitiek is een excuus, een dekmantel voor mensen zonder enige invloed of beslissingsbevoegdheid om dagenlang over dingen te praten waar ze toch niks aan kunnen veranderen, zodat ze het niet hoeven te hebben over de dingen waar ze wél iets aan kunnen veranderen.” (101) De literaire kring houdt iedereen die zich goed genoeg voelt om een boek te lezen een spiegel voor; want, zo wil het motto, “the world’s being saved will not save us; nor the world’s being lost destroy us. We should look to ourselves.”

Citaten:

“Het was een levenshouding, hield hij zichzelf graag voor, die weinig discriminatie toeliet, de ene stad is net zo goed om in te wonen als de andere, de mensen geven je overal redenen om bij ze te blijven, totdat je ze weer verlaat.” (30)

“‘Het karakter van de mens bestaat uit de ruimte die de goden hem laten.’

‘Mooi’, zei Teresa. ‘Dat is heel mooi.’” (89)

“‘Waarom is terrorisme interessanter dan een psychiatrische opname? Wat is er in godsnaam zo interessant aan 9/11?’” (100)

“Na het mislukken van zijn leven, zeventien jaar geleden, was Erik de Winter in ballingschap gegaan in Scheveningen.” (213)

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *